Belanghebbende, een in Duitsland gevestigde entiteit, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 1 mei 2004 tot en met 30 april 2006. De inspecteur wees deze verzoeken af. Belanghebbende stelde dat op grond van het Unierecht en de fiscale beleggingsinstelling (fbi)-regeling recht op teruggaaf bestond.
De rechtbank overwoog dat voor verzoeken met betrekking tot boekjaren vóór 1 januari 2008 het overgangsrecht van toepassing is, waarbij de regeling voor fbi's relevant is. Belanghebbende heeft echter niet ingestemd met een vervangende betaling zoals vereist door de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020.
De rechtbank zag geen aanleiding om anders te oordelen of prejudiciële vragen te stellen. Klachten over onduidelijkheden in het rechtsherstel werden niet nader onderbouwd. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat zonder instemming met vervangende betaling, bestaat ook geen recht op rentevergoeding.
De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.