5.3De rechtbank stelt voorop dat eiser de aanvragen om bijstand heeft ingediend en dat hij de bewijslast heeft om feiten te stellen op basis waarvan is vast te stellen dat hij bijstandsbehoeftig is. Hij dient daartoe duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie en inzicht te geven in de geldstromen.
Niet in geschil is dat eiser werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten ontving, die contant werden uitbetaald. Evenmin is in geschil dat deze inkomsten in mindering moeten worden gebracht op de bijstandsuitkering. Daarnaast blijkt uit de bankafschriften van eiser dat sprake is van contante stortingen. Eiser stelt dat deze stortingen het contant uitbetaalde loon betreffen.
Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet.
Om het standpunt van eiser aannemelijk te kunnen achten, dat de stortingen voortkomen uit het door hem contant ontvangen loon van het theehuis, dient volgens vaste rechtspraak sprake te zijn van voldoende rechtstreeks verband tussen het ontvangen loon en de stortingen, zowel in tijd als in omvang van de bedragen.Dit zou bijvoorbeeld kunnen blijken als het bedrag van het contant ontvangen loon dezelfde dag of kort erna is gestort op de bankrekening.
Uit de stukken in het dossier blijken de volgende loon- en WW-betalingen en stortingen.
Maand
Datum loon/WW
Hoogte loon
Datum storting
Hoogte storting
September 2019
20-09-2019
€ 574,24
Oktober 2019
19-10-2019
€ 617,18
01-10-2019
€ 680,00
04-10-2019
€ 200,00
November 2019
16-11-2019
€ 574,24
01-11-2019
€ 570,00
December 2019
19-12-2019
€ 599,17
Januari 2020
18-01-2020
€ 553,17
Februari 2020
21-02-2020
€ 553,17
04-02-2020
€ 560,00
Maart 2020
20-04-2020
€ 276,59
09-03-2020
€ 500,00
WW 15-04-2020
€ 340,76
April 2020
WW 08-05-2020
€ 615,98
03-04-2020
€ 450,00
09-04-2020
€ 250,00
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende verband is tussen het door eiser contant ontvangen loon en de door hem gedane stortingen op zijn bankrekening. Het gestelde verband blijkt niet uit het tijdsverloop tussen de betalingen en de stortingen. Er zijn stortingen gedaan op data die vóór de loonuitbetaling liggen of ruim daarna. Daarnaast is de hoogte van de gestorte bedragen niet (altijd) direct te herleiden tot de hoogte van het loon. Er zijn zelfs hogere bedragen gestort dan het ontvangen loon.
Eiser voert hierover aan dat hij in juli 2019 een lening had afgesloten bij zijn neef ten bedrage van € 1.000,00 en in april 2020 met zijn dochter ten bedrage van € 450,00. Eiser heeft een verklaring van zijn dochter overgelegd, waarin zij aangeeft dat zij het bedrag van € 450,00 heeft voorgeschoten en dat zij hiervoor niks op papier hebben gezet, maar wel de afspraak hebben gemaakt dat haar vader dit moet terugbetalen zodra de situatie het toelaat.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraakeen betrokkene in beginsel geen recht heeft op bijstand, indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Daartoe dient de betrokkene aannemelijk te maken dat er geen ander inkomen is én dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen, dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden, en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is. Een bankoverschrijving met de vermelding “lening voor levensonderhoud” zal daartoe in beginsel volstaan. Ook moet daarbij de identiteit van de schuldeiser vaststaan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet voldaan aan de voorwaarden in voornoemde jurisprudentie om aannemelijk te maken dat sprake is van een lening bij zijn dochter. Daartoe overweegt de rechtbank dat eisers dochter in april 2020 een bedrag van € 450,00 heeft overgemaakt en dat bij die overboeking niet is vermeld dat het een lening voor levensonderhoud betreft. Daarnaast is de verklaring van zijn dochter pas opgesteld op 24 juni 2020 en dus enkele maanden nadat het bedrag is gestort. Uit de verklaring blijkt dat voorafgaand aan de betaling geen concrete afspraken zijn gemaakt over de lening en de wijze van terugbetaling. Mondelinge afspraken zijn daartoe onvoldoende en niet verifieerbaar. Werkplein heeft het gestorte bedrag daarom terecht aangemerkt als inkomsten en in mindering gebracht op de uitkering.
Bovendien heeft eiser ter zitting verklaard dat hij nog meer bedragen heeft ontvangen; van zijn zoon uit Spanje en een andere neef. Hij heeft over deze bedragen geen concrete, verifieerbare bewijsstukken overgelegd. Uit het voorgaande volgt dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waar de stortingen vandaan komen. Werkplein heeft deze bedragen daarom terecht als inkomsten aangemerkt.