ECLI:NL:RBZWB:2022:2001
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling definitieve vaststelling WIA-uitkering over 2019 bij uitruil eindejaarsuitkering voor reiskostenvergoeding
Eiseres ontvangt sinds 2011 een WIA-uitkering en was in 2019 werkzaam via Randstad op basis van een uitzendarbeidsovereenkomst. Zij maakte bezwaar tegen de definitieve vaststelling van haar WIA-uitkering over 2019, omdat het UWV uitging van de volledige eindejaarsuitkering terwijl zij een deel daarvan had uitgeruild voor een hogere reiskostenvergoeding.
Het UWV wees het bezwaar af en stelde dat het inkomen correct was vastgesteld op basis van het opgebouwde bedrag, niet op het daadwerkelijk uitbetaalde bedrag, conform artikel 61 WIA Pro en het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). De rechtbank verwees naar een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die deze werkwijze bevestigde.
De rechtbank oordeelde dat eiseres het bedrag aan reiskostenvergoeding heeft genoten en dat de uitruil geen reden is om het gereserveerde bedrag aan eindejaarsuitkering te verlagen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het individueel keuzebudget (IKB) faalde eveneens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de vaststelling van de WIA-uitkering over 2019 zoals door het UWV bepaald. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de WIA-uitkering over 2019 blijft definitief vastgesteld op basis van het volledige gereserveerde bedrag aan eindejaarsuitkering.