Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
+€ 152.353,46 (2013)
+€ 100 (2014)) in rekening-courant heeft opgenomen. Dit leidt ertoe dat na aftrek van de voor de overdracht van de rechten geboekte inbreng van € 400.000 (IE-rechten) en de restaurantuitgaven van € 11.393 van de totaal door belanghebbende berekende storting dan wel inbreng van € 477.521,95 (2014) een bedrag van € 101.759 (= € 665.475,41 -/- € 152.323 -/- € 400.000 -/- € 11.393) resteert. Voor dit bedrag dient te worden beoordeeld of sprake is van een onzakelijke lening.
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende van € 200;
- veroordeelt de minister voor Rechtsbescherming tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende van € 1.300;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten in beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 391,40;
- veroordeelt de minister voor Rechtsbescherming in de proceskosten in beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 391,40;
- gelast dat de inspecteur het voor het beroep betaalde griffierecht voor de helft, zijnde € 24, aan belanghebbende vergoedt;
- gelast dat de minister voor Rechtsbescherming het voor het beroep betaalde griffierecht voor de helft, zijnde € 24, aan belanghebbende vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: