Eiseres ontving kindgebonden budget als alleenstaande ouder, maar de Belastingdienst stelde dat zij een toeslagpartner had vanwege haar huwelijk in 2018, waardoor de alleenstaande ouderkorting verviel en een bedrag werd teruggevorderd.
Eiseres maakte bezwaar en stelde dat er geen sprake was van een toeslagpartner omdat zij pas kort samenwoonde met haar echtgenoot en een echtscheidingsverzoek had ingediend. De Belastingdienst verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de terugvordering.
De rechtbank oordeelde dat het besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek bevatte en vernietigde het besluit. De rechtbank bevestigde echter dat eiseres in 2020 formeel een toeslagpartner had en dat de terugvordering niet onevenredig was, mede gezien de mogelijkheden voor betalingsregelingen en bijzondere bijstand.
De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. Het beroep op de hardheidsclausule werd buiten beschouwing gelaten omdat dit een bevoegdheid van de minister van Financiën betreft.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering door bestuursorganen, ook bij automatische toepassing van partnerbegrippen in toeslagen.