De inspecteur legde aan belanghebbende een aanslag vennootschapsbelasting (VPB) op over het boekjaar 2016, waarbij een afwaardering van een vordering op de moedermaatschappij [BV 1] werd geweigerd en een verliesverrekening werd betwist. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende tot 22 maart 2016 deel uitmaakte van een fiscale eenheid met [BV 1], waarbij liquide middelen werden gecentraliseerd. Na ontvoeging ontstond discussie over het ontstaan en de afwaardering van een regresvordering op [BV 1]. De rechtbank oordeelde dat de vordering reeds vóór ontvoeging bestond en dat op grond van artikel 15aj, lid 2, Wet VPB 1969 de vordering op nominale of bedrijfswaarde moet worden gesteld, waarbij bedrijfswaarde nihil was vanwege financiële problemen en faillissement van [BV 1].
Daarnaast werd het subsidiaire standpunt van belanghebbende dat een verlies van de fiscale eenheid aan haar kon worden toegerekend op grond van artikel 15af Wet VPB 1969 verworpen omdat niet aan het vormvoorschrift van lid 3 was voldaan. De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de minister werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, griffierecht en proceskosten.