Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, beherend vennoot van een commanditaire vennootschap (CV) die groothandelsactiviteiten in parfums en cosmetica verricht, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De kern van het geschil betrof de vraag of de activiteiten van belanghebbende in 2015 een bron van inkomen vormden. Hoewel belanghebbende deelnam aan het economische verkeer en een subjectief oogmerk had om voordeel te behalen, ontbrak volgens de rechtbank een objectieve verwachting dat in 2015 redelijkerwijs voordeel kon worden verwacht. Ondanks stijgende omzetten waren de activiteiten verlieslatend, ook in de jaren voor en na 2015.
Belanghebbende voerde aan dat de overname van de activiteiten in 2020 door een derde duidde op winstpotentieel, maar kon niet aannemelijk maken dat hiervoor een waarde was toegekend of dat er een betaling voor toekomstig voordeel had plaatsgevonden. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie niet vergelijkbaar was met grote internationale ondernemingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. van der Vegt op 28 januari 2022 en is openbaar gemaakt via Rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een bron van inkomen in 2015.