Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen afwijzing van dwangsombeschikkingen door de inspecteur vanwege niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestellingen onredelijk laat zijn gedaan en dat de inspecteur de bezwaren terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard.
De rechtbank constateert dat het dossier niet volledig is, maar ziet geen aanleiding om hieraan consequenties te verbinden omdat belanghebbende niet concreet heeft gesteld dat hij daardoor in zijn belang is geschaad. Ook is de hoorplicht niet geschonden, aangezien de inspecteur terecht heeft afgezien van het horen van belanghebbende bij de kennelijke ongegrondverklaring.
De redelijke termijn is met 31 maanden overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €3.000. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De rechtbank wijst het beroep ongegrond maar kent deze vergoedingen toe.