ECLI:NL:RBZWB:2022:5092
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen wegens onvoldoende onderbouwing waardebepaling
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement met garage, vastgesteld op €358.000 per 1 januari 2019. De heffingsambtenaar baseerde deze waarde op een taxatierapport met vergelijkingsobjecten, waarbij ook rekening werd gehouden met liggingswaarde en het VvE-reservefonds. Belanghebbende betwistte de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen, de gehanteerde berekeningsmethodiek en de wijze van verrekening van het VvE-reservefonds.
De rechtbank oordeelde dat drie van de vier vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren, maar dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De toegepaste liggingswaarde werd als onvoldoende onderbouwd beoordeeld, en de lagere kubieke meterprijs van de woning werd niet verklaard. Belanghebbende slaagde er ook niet in zijn lagere waarde van €295.000 aannemelijk te maken.
De rechtbank stelde de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €350.000 en oordeelde dat de aanslag onroerendezaakbelastingen te hoog was. Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van bezwaar en beroep. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting verminderd tot €350.000, met vergoeding voor overschrijding redelijke termijn.