Belanghebbende exploiteert een theater en bracht in de entreeprijs een bedrag in rekening voor garderobe, pauzedrankje en administratiekosten. Voor non-alcoholische drankjes werd het lage btw-tarief toegepast, voor alcoholische het normale tarief. Na een brief van belanghebbende en ingediende suppletieaangiften verleende de inspecteur teruggaven, maar legde vervolgens een naheffingsaanslag op voor de periode 2015-2017.
De rechtbank beoordeelde of de verstrekking van alcoholische pauzedrankjes een bijkomende prestatie is die opgaat in de hoofdprestatie van toegang tot de voorstelling, of een zelfstandige prestatie vormt. Uit jurisprudentie en het perspectief van de gemiddelde bezoeker volgt dat het pauzedrankje een afzonderlijk belang heeft en dus een zelfstandige prestatie is.
Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de teruggaven standaardbeschikkingen waren met een voorbehoud van correctie en er geen bewuste standpuntbepaling van de inspecteur was. De naheffingsaanslag wordt daarom terecht gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.