Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over het tijdvak van 1 mei 2007 tot en met 30 april 2008. Hij stelde zich op het standpunt dat op grond van Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat hij vergelijkbaar zou zijn met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het geding aan te houden in afwachting van de zogenoemde Deka-zaak en heeft het bezwaar inhoudelijk behandeld. Gezien het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 is voor boekjaren die aanvangen vóór 1 januari 2008 de teruggaafregeling voor fbi’s relevant.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht het verzoek heeft afgewezen omdat belanghebbende, ondanks gelegenheid daartoe, niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals bedoeld in de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674). Hierdoor bestaat geen recht op teruggaaf. Ook de klacht over onduidelijkheden in het rechtsherstel is onvoldoende onderbouwd en kan niet leiden tot een ander oordeel.
Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is ook geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting is ongegrond verklaard.