Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over het tijdvak 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008. Dit verzoek werd door de inspecteur afgewezen. Belanghebbende stelde dat op grond van Unierecht recht bestond op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar zou zijn met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank oordeelde dat voor boekjaren die aanvingen vóór 1 januari 2008 het overgangsrecht van toepassing is, waarbij de teruggaafregeling voor fbi’s relevant is. Belanghebbende heeft echter niet ingestemd met een vervangende betaling zoals bedoeld in de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, onderdeel 5.4, ondanks daartoe gelegenheid te zijn gegeven.
De rechtbank zag geen aanleiding om een andere wijze van rechtsherstel te bieden of prejudiciële vragen te stellen. De klacht over onduidelijkheden in het rechtsherstel werd niet nader onderbouwd en kon daarom niet worden gevolgd. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, bestaat ook geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting is ongegrond verklaard.