ECLI:NL:RBZWB:2022:59

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 januari 2022
Publicatiedatum
10 januari 2022
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4549
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 10, tweede lid, Wet op de dividendbelasting 1965Artikel XXVI, leden 8 en 9, Wet Overige fiscale maatregelen 2008ECLI:NL:HR:2020:1674, rov. 5.4.6Artikel 8:57, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing teruggaafverzoek dividendbelasting op grond van niet-ingestemde vervangende betaling

Belanghebbende verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over het tijdvak 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008. Dit verzoek werd door de inspecteur afgewezen. Belanghebbende stelde dat op grond van Unierecht recht bestond op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar zou zijn met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).

De rechtbank oordeelde dat voor boekjaren die aanvingen vóór 1 januari 2008 het overgangsrecht van toepassing is, waarbij de teruggaafregeling voor fbi’s relevant is. Belanghebbende heeft echter niet ingestemd met een vervangende betaling zoals bedoeld in de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, onderdeel 5.4, ondanks daartoe gelegenheid te zijn gegeven.

De rechtbank zag geen aanleiding om een andere wijze van rechtsherstel te bieden of prejudiciële vragen te stellen. De klacht over onduidelijkheden in het rechtsherstel werd niet nader onderbouwd en kon daarom niet worden gevolgd. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, bestaat ook geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 17/4549
uitspraak van 10 januari 2022
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende] (thans [belanghebbende] geheten), gevestigd te [plaats] (Duitsland),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 4 april 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over het tijdvak 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008.
Zitting
Een regiezitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2021. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie op 21 juni 2021 naar partijen is verzonden. Na afronding van het vooronderzoek is het onderzoek ter zitting ingevolge artikel 8:57, eerste lid, van de Awb achterwege gebleven.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

Vooraf: geen aanhouding
Zoals tijdens de regiezitting aan de orde is gekomen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om zaken zoals de onderhavige aan te houden in afwachting van duidelijkheid in de zogenoemde Deka-zaak in hoger beroep. In wat belanghebbende in de nadere motivering van het beroep aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarop terug te komen.
Inhoudelijk
2.1.
Belanghebbende heeft – kort gezegd – gesteld, met een beroep op het Unierecht, dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).
2.2.
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [1] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren die aanvangen vóór 1 januari 2008 de teruggaafregeling voor fbi’s [2] relevant.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht het teruggaafverzoek heeft afgewezen. Belanghebbende heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet kenbaar gemaakt in te stemmen met het doen van een vervangende betaling als bedoeld in onderdeel 5.4 van de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674). Reeds daarom bestaat geen recht op teruggaaf. [3] De rechtbank ziet in wat belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om een andere wijze van rechtsherstel Unierechtelijk geboden te achten en/of om prejudiciële vragen te stellen. [4] Aan de klacht over “de vele onduidelijkheden ten aanzien van het rechtsherstel zoals voorgeschreven door de Hoge Raad” gaat de rechtbank voorbij, reeds omdat verzuimd is nader te onderbouwen wat de onduidelijkheden zijn en een eigen berekening in te brengen. [5] Bovendien neemt die klacht niet weg dat belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling.
2.4.
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
2.5.
Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
2.6.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier, op 10 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Stb. 2007, 563.
2.Artikel 10, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, zoals dat lid luidde tot zijn vervallen bij de wet Overige fiscale maatregelen 2008.
3.ECLI:NL:HR:2020:1674, rov. 5.4.6.