Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de dagvaarding, met producties 1 t/m 52,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties 1 t/m 23,
- het tussenvonnis van 20 april 2022,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 53 t/m 76.
1.Begripsbepaling
2. Kosten van de huishouding
inkomen.
5. Woning in gezamenlijk eigendom
6. Roerende zaken
7. En/of-rekening
11. Einde van de samenleving anders dan door overlijden
3.Het geschil
in conventie
Primair,
4.De beoordeling
in conventie en in reconventie
1 november 2022heeft plaatsgevonden.
- aan premie ASR € 2.982,24 en
Alspartijen voor de aanschaf van deze woning niet evenveel uit eigen middelen bijdragen”. Het artikel neemt dus een voorlopige waarheid aan als grondslag voor een vergoedingsrecht, terwijl de investeringen al hadden plaatsgevonden. Uit de letterlijke tekst kan de rechtbank dan ook niet opmaken dat artikel 5 lid 2 beoogt Pro een vergoedingsrecht van de vrouw in het leven te roepen. Dat partijen die bedoeling destijds wél hebben gehad kan de rechtbank evenmin vaststellen. Uit wat partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, blijkt dat toen de schulden van de man werden afbetaald of ondergebracht in de hypotheek een samenlevingsovereenkomst niet aan de orde was en dat de aanstaande geboorte van hun dochter de reden is geweest om deze aan te gaan. Daarnaast hebben zij beiden bevestigd dat toen zij de overeenkomst bij de notaris opstelden de inbreng van eigen spaargeld van de vrouw niet aan de orde is geweest. Vast staat ook dat de vrouw gedurende de samenwoning nooit aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van haar investering en dit ook niet kenbaar heeft gemaakt. Dat de vrouw hier achteraf na de beëindiging van de relatie anders over denkt, maakt niet dat zij alsnog aanspraak op vergoeding kan maken.
5.De beslissing
1 november 2022heeft plaatsgevonden,