Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een in Engeland gevestigde private limited, verrichtte in 2013 leveringen van meubels aan Nederlandse ondernemers en particulieren binnen en buiten de EU. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op, die na bezwaar werd verminderd. Belanghebbende stelde beroep in tegen de aanslag en de belastingrente.
De rechtbank onderzocht of de naheffingsaanslag tijdig was opgelegd en of belanghebbende in Nederland was gevestigd of een vaste inrichting had. Uit bewijsstukken bleek dat belanghebbende vanuit een magazijn in Nederland leverde en over geschikte ruimten beschikte, waaronder een showroom en kantoorruimte aan huis van een bestuurder. Dit leidde tot de conclusie dat sprake was van een vaste inrichting in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag binnen de wettelijke termijn was verzonden en dat de inspecteur niet onzorgvuldig had gehandeld. De toepassing van de verleggingsregeling door belanghebbende was onterecht voor leveringen aan in Nederland gevestigde belastingplichtigen. De belastingrente werd niet verder verminderd omdat de inspecteur tijdig had gehandeld.
Het beroep werd ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting wordt ongegrond verklaard omdat de aanslag tijdig is opgelegd en belanghebbende een vaste inrichting in Nederland heeft.