Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte deel uit van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting en is aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen van in totaal €175.408. Belanghebbende voerde aan niet te voldoen aan de voorwaarden voor deelname aan de fiscale eenheid en stelde dat de aansprakelijkstelling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt dat de aansprakelijkstelling op grond van artikel 43 van Pro de Invorderingswet 1990 terecht is, ook indien niet aan materiële voorwaarden voor deelname is voldaan zolang de inspecteur niet schriftelijk is geïnformeerd over het niet langer bestaan van de fiscale eenheid. Het evenredigheidsbeginsel kan niet worden toegepast tegen formele wetgeving vanwege het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro, tenzij bijzondere omstandigheden die niet door de wetgever zijn verdisconteerd, dit rechtvaardigen. Deze omstandigheden zijn in deze zaak niet aanwezig.
Ook het beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel faalt, omdat de wetgever een legitieme keuze heeft gemaakt om hoofdelijk aansprakelijkheid te regelen binnen de fiscale eenheid. De stelling dat betalingsonmacht is gemeld, is onvoldoende onderbouwd en speelt geen rol bij de rechtmatigheid van de aansprakelijkstelling. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de aansprakelijkstelling blijft staan en belanghebbende geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.
Uitkomst: Belanghebbende is terecht aansprakelijk gesteld voor de omzetbelastingschulden van de fiscale eenheid; beroep ongegrond.