Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
[bewindvoerder] ,te [vestigingsplaats] , bewindvoerder,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering die door het UWV is afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat zij gedurende tien jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen had. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak vastgesteld dat eiseres op haar 18e verjaardag geen arbeidsvermogen had, maar dat zij in de daaropvolgende tien jaar wel periodes heeft gewerkt.
Het UWV kon door het tijdsverloop niet meer achterhalen wat de aard en omvang van die werkzaamheden waren, maar stelde dat dit voor rekening van eiseres kwam vanwege de laattijdige aanvraag. Eiseres betwistte de duur van de werkperioden en stelde dat de geregistreerde arbeidsdagen onjuist waren, maar kon dit niet met stukken onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd of onderzocht of de situatie van geen arbeidsvermogen gedurende tien jaar voortduurde, wat een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek oplevert. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand omdat het UWV het gebrek had hersteld.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De rechtbank wees erop dat bij een laattijdige aanvraag de bewijslast bij de aanvrager ligt, maar dat het UWV toch zorgvuldig moet onderzoeken en motiveren. De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.