ECLI:NL:CRVB:2022:2407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per peildatum
Appellante heeft op 2 april 2019 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het UWV stelde bij besluit van 3 september 2019 vast dat zij op de peildatum minder dan 25% arbeidsongeschikt was en wees de aanvraag af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de medische gegevens geen aanleiding gaven tot twijfel over de beoordeling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat nieuw medisch bewijs uit 2014-2018 haar situatie in retroperspectief anders rechtvaardigt. De Raad oordeelde echter dat de beoordeling plaatsvindt op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en dat bij laattijdige aanvraag de bewijslast bij de aanvrager ligt. De medische stukken betreffen grotendeels perioden na de peildatum en bieden onvoldoende bewijs dat appellante toen al arbeidsongeschikt was.
De Raad concludeert dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd waarom appellante niet aan de voorwaarden voldoet en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per peildatum.