ECLI:NL:RBZWB:2023:1412
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WIA-dagloon door UWV
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin het WIA-dagloon werd vastgesteld op €195,11, omdat zij meent dat de WW-uitkering over april 2019 ten onrechte niet is meegenomen in de berekening. Volgens eiseres leidt de huidige systematiek tot een onevenredig nadeel doordat 1/12 van het inkomen buiten beschouwing blijft.
Het UWV stelt dat de berekening conform het Dagloonbesluit en vaste rechtspraak is uitgevoerd, waarbij alleen loon en uitkeringen worden meegenomen die in het refertejaar zijn genoten volgens de aangifte aan de belastingdienst. De WW-uitkering over april 2019 werd pas in mei 2019 betaald en aangifte gedaan, waardoor deze niet kan worden meegenomen.
De rechtbank volgt het standpunt van het UWV en verwijst naar eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep die een terughoudende rechterlijke toetsing van deze politiek-bestuurlijke keuzes bevestigen. De brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de knelpuntenbrief bieden geen aanleiding om af te wijken van deze systematiek.
De rechtbank concludeert dat het dagloon correct is vastgesteld en dat de nadelige gevolgen voor eiseres niet zodanig zijn dat de regels buiten toepassing moeten worden gelaten. Bovendien is de WIA-uitkering inmiddels omgezet in een vervolguitkering waarbij het dagloon niet meer relevant is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het vastgestelde WIA-dagloon wordt ongegrond verklaard.