ECLI:NL:RBZWB:2023:2195
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering WW-uitkering en toepassing brutering na fiscaal jaar
Eiseres ontving vanaf 21 augustus 2020 een WW-uitkering die door het UWV werd ingetrokken met terugwerkende kracht tot die datum, omdat zij volgens het UWV ten onrechte uitkering had ontvangen. Het UWV vorderde de uitkering terug, waarbij een nettobedrag moest worden terugbetaald als dit vóór 31 december 2020 gebeurde, en een brutobedrag als betaling daarna plaatsvond.
Eiseres stelde dat de termijn voor terugbetaling van het nettobedrag onredelijk was en verwees naar haar financiële situatie en beleid van het UWV. De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waarin is bepaald dat terugvordering na het fiscale jaar bruto moet plaatsvinden, ongeacht of sprake is van een fout van het UWV.
De rechtbank oordeelde dat het UWV het beleid consistent heeft toegepast en dat eiseres niet binnen een redelijke termijn na ontvangst van het te veel betaalde bedrag had aangegeven dit niet te willen behouden. Ook het beroep op een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland faalde, omdat die situatie anders was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees op de mogelijkheid voor eiseres om via de Belastingdienst een teruggave van teveel ingehouden loonheffing te verzoeken. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de bruto terugvordering van de WW-uitkering is ongegrond verklaard.