ECLI:NL:RBZWB:2023:2516
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en vergoeding immateriële schade bij overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres in Tilburg, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €230.000 per 1 januari 2019. Belanghebbende stelde een lagere waarde van €182.000 voor, maar onderbouwde dit niet met marktgegevens. De heffingsambtenaar had de waarde gebaseerd op een vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen, waarvan één vrijwel identiek was.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk had gemaakt en dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Verder werd geoordeeld dat de heffingsambtenaar niet in strijd had gehandeld met artikel 40, tweede lid, Wet WOZ, omdat de gevraagde factoren niet relevant waren voor de waardebepaling.
Belanghebbende vorderde daarnaast een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn met ongeveer 14 maanden was overschreden en kende een vergoeding toe van €150, verdeeld over de bezwaarfase en beroepsfase. Tevens werden proceskosten en griffierechten toegekend aan belanghebbende.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag gehandhaafd blijven. De heffingsambtenaar en de Minister werden veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding, proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €230.000 blijft gehandhaafd, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van €150 wegens overschrijding van de redelijke termijn.