ECLI:NL:RBZWB:2023:2518
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde onroerende zaak en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende betwist de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak, gebruikt als automobielbedrijf, gelegen op een bedrijventerrein in [plaats]. De heffingsambtenaar stelde de waarde op 1 januari 2019 vast op € 2.432.000, welke waarde ook leidde tot de aanslag onroerendezaakbelastingen 2020. Belanghebbende vordert een lagere waarde van € 2.025.000.
De rechtbank beoordeelt de juistheid van de vastgestelde waarde aan de hand van door de heffingsambtenaar overgelegde verkoop- en huurgegevens van vergelijkbare panden op hetzelfde bedrijventerrein. Ondanks dat de transacties enkele jaren voor de waardepeildatum plaatsvonden, acht de rechtbank de indexering en locatievergelijking voldoende betrouwbaar. Belanghebbende heeft haar lagere waardering niet onderbouwd met marktgegevens.
Daarnaast stelde belanghebbende dat de heffingsambtenaar niet transparant was over de huurwaardekapitalisatiefactor, maar de rechtbank oordeelt dat deze factor tijdens de hoorzitting is besproken en dat aan de informatieplicht is voldaan.
Belanghebbende maakte aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling. De rechtbank constateert een overschrijding van circa 13 maanden en kent een vergoeding toe van € 1.500, verdeeld over de bezwaarfase en beroepsfase, waarbij de Minister mede als partij wordt aangemerkt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag blijven gehandhaafd, en proceskosten en griffierechten worden verdeeld over de heffingsambtenaar en Minister.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een vergoeding van € 1.500 voor overschrijding van de redelijke termijn.