ECLI:NL:RBZWB:2023:2578
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €301.000 op de waardepeildatum 1 januari 2019. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de waarde, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde eerst over de ontvankelijkheid van het beroep. Belanghebbende stelde dat hij de uitspraak op bezwaar pas op 19 november 2020 ontving, terwijl de heffingsambtenaar stelde dat deze op 21 augustus 2020 was verzonden. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de uitspraak op de juiste wijze was verzonden, waardoor het beroep tijdig was ingediend.
Inhoudelijk beoordeelde de rechtbank de waardebepaling. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport en vergelijkingsmethode, waarbij een correctie van €7.000 werd toegepast wegens te hoog gewaardeerde bijgebouwen. Belanghebbende betwistte het indexeringspercentage en de waardering van voorzieningen, maar de rechtbank vond de gehanteerde indexering en waardering voldoende onderbouwd en aannemelijk.
Belanghebbende vorderde tevens vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde een overschrijding van circa 13 maanden en kende conform beleid een vergoeding toe van €150, waarvan een deel door de heffingsambtenaar en een deel door de Minister betaald moet worden. Daarnaast werden proceskosten en griffierechten aan belanghebbende toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en aanslag, en veroordeelde de heffingsambtenaar en Minister tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag wordt ongegrond verklaard en de waarde van €301.000 wordt gehandhaafd.