ECLI:NL:RBZWB:2023:4575
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning te Tilburg waarvan de WOZ-waarde op 1 januari 2020 is vastgesteld op €361.000. Tegen deze vaststelling en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting 2021 is bezwaar gemaakt, dat door de heffingsambtenaar ongegrond werd verklaard. Belanghebbende vordert een lagere waarde van maximaal €288.000.
De rechtbank toetst de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rondom de waardepeildatum worden vergeleken. De heffingsambtenaar heeft een matrix met vergelijkingsobjecten en foto’s overgelegd, en de rechtbank acht de gehanteerde indexering en onderbouwing voldoende inzichtelijk en aannemelijk.
Belanghebbende stelde dat de woning houtskeletbouw betreft, wat een waardedrukkend effect zou hebben, maar de heffingsambtenaar betwist dit en de rechtbank oordeelt dat dit niet aannemelijk is gemaakt. Ook andere aangevoerde bezwaren leiden niet tot een ander oordeel.
De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met circa vijf maanden. Hiervoor kent zij een immateriële schadevergoeding van €50 toe, welke voor rekening van de Staat komt. Daarnaast wordt proceskostenvergoeding toegekend en het griffierecht vergoed.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard; de waarde en aanslag blijven gehandhaafd, met een immateriële schadevergoeding van €50 wegens termijnoverschrijding.