ECLI:NL:RBZWB:2023:4954
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verblijf buitenland
Eiser ontving sinds 2013 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. In 2021 verbleef hij langer dan vier weken in het buitenland, namelijk van 15 december 2020 tot 15 maart 2021, en meldde dit niet tijdig aan het college. Hierdoor werd zijn recht op bijstand herzien en ingetrokken over deze periode en werd de ten onrechte ontvangen bijstand teruggevorderd.
Eiser voerde aan dat hij vanwege een acute medische noodsituatie (ernstige malaria en corona-verschijnselen) niet eerder kon terugkeren en dat dit bijzondere omstandigheden zijn die het recht op bijstand zouden moeten behouden. Hij overlegde een doktersverklaring ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat de Participatiewet dwingendrechtelijk is en dat de reden van het verblijf in het buitenland niet relevant is voor het recht op bijstand. Ook was niet voldaan aan de strenge voorwaarden voor het toepassen van de uitzondering wegens zeer dringende redenen. De medische verklaring toonde geen acute noodsituatie aan die het verlenen van bijstand onvermijdelijk maakte.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde zij de intrekking en terugvordering van de bijstand. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland wordt ongegrond verklaard.