Eiser maakte bezwaar tegen de herziening van zijn recht op huur- en zorgtoeslag over 2020, waarbij de Belastingdienst/Toeslagen een terugvordering van te veel ontvangen toeslagen had opgelegd. De rechtbank constateerde dat de Belastingdienst/Toeslagen de beslistermijn voor het bezwaar had overschreden, maar dat dit geen vernietiging van het besluit rechtvaardigde omdat de termijnen niet fataal zijn.
De rechtbank benadrukte dat de Belastingdienst/Toeslagen moet uitgaan van het door de inspecteur voor de inkomstenbelasting vastgestelde verzamelinkomen. In deze zaak was het inkomen door de inspecteur gewijzigd van € 22.588,- naar € 29.907,-, wat leidde tot een lagere toeslag en terugvordering. De Belastingdienst/Toeslagen had echter vastgesteld dat er sprake was van een dubbeltelling van een bedrag van € 7.319,- in het verzamelinkomen, wat bijzondere omstandigheden vormde.
De rechtbank oordeelde dat deze bijzondere omstandigheden aanleiding geven om van terugvordering af te zien. De Belastingdienst/Toeslagen had nagelaten contact op te nemen met de inspecteur om het inkomen te corrigeren, waardoor de terugvordering had kunnen worden voorkomen. De rechtbank vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover het de terugvordering betrof en herroept het primaire besluit. Tevens veroordeelde zij de Belastingdienst/Toeslagen in de proceskosten en tot vergoeding van griffierecht, reiskosten en een beperkte vergoeding voor verletkosten.