ECLI:NL:RVS:2017:294
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens handel in softdrugs op grond van artikel 13b Opiumwet
De burgemeester van Groningen sloot op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een woning vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid softdrugs en goederen voor verwerking daarvan. De huurder, appellant, maakte bezwaar tegen de sluiting en stelde dat de sluiting onrechtmatig was omdat de overtreding al was beëindigd en de maatregel disproportioneel was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de burgemeester terecht bestuursdwang toepaste ter beëindiging en voorkoming van overtredingen van de Opiumwet, ook al waren de drugs ten tijde van het besluit niet meer aanwezig. Uit de rapportage bleek dat de woning een belangrijke rol speelde in een stelselmatige overtreding van de Opiumwet binnen een organisatorisch verband. De Raad verwierp het betoog dat sprake was van misbruik van bevoegdheid of dat het besluit een strafsanctie inhield.
Verder werd geoordeeld dat de directe sluiting zonder waarschuwing in dit ernstige geval verenigbaar was met de geschiedenis van artikel 13b Opiumwet en het Damoclesbeleid. De maatregel was proportioneel en hield rekening met het herstelkarakter van de sanctie. Ook was er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat geen vergelijkbare gevallen waren aangedragen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de woning wegens handel in softdrugs en verklaart het hoger beroep ongegrond.