Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 november 2023 in de zaak tussen
[naam persoon](belanghebbende), te [plaatsnaam] , verzoeker,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester om een woning te sluiten voor de duur van één maand vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs. De woning werd doorzocht en er werd 948,78 gram amfetamine aangetroffen, evenals middelen om drugs te wegen en te verpakken. De burgemeester baseerde zijn besluit op artikel 13b van de Opiumwet en het bijbehorende gemeentelijke beleid.
Verzoeker voerde aan dat belanghebbende, die medische beperkingen heeft en in de woning woont, niet op de hoogte was van de drugshandel en dat de sluiting onevenredig is vanwege de persoonlijke situatie en het ontbreken van alternatieve woonruimte. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, dat de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is om de openbare orde te herstellen en drugshandel tegen te gaan, en dat het tijdsverloop tussen vondst en besluit niet onredelijk was.
De voorzieningenrechter nam mee dat belanghebbende zelf toezicht houdt op de woning en dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de woning een rol speelt in drugshandel. Hoewel de sluiting ingrijpend is, achtte de rechter de belangenafweging in het voordeel van de burgemeester, mede omdat er opties voor vervangende woonruimte zijn en de medische aanpassingen relatief eenvoudig elders kunnen worden aangebracht.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening geen spoedeisend belang rechtvaardigde om de sluiting te voorkomen en wees het verzoek af. De burgemeester mag derhalve overgaan tot sluiting van de woning voor één maand.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens drugshandel wordt afgewezen.