ECLI:NL:RBZWB:2023:9089
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen aanslag inkomstenbelasting en belastingrente 2019
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en niet verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2019 en de daarbij opgelegde belastingrente. Hij stelde dat ten onrechte geen rekening was gehouden met verrekenbare loonheffing en dat het belastingtarief onjuist was toegepast.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor de verrekenbare loonheffing van €9.025 en dat het belastingtarief correct was toegepast, aangezien belanghebbende niet verzekerd is voor de volksverzekeringen en de AOW-leeftijd in 2019 nog niet was bereikt. Tevens wees de rechtbank het beroep tegen de belastingrente af, omdat deze correct was berekend volgens de wettelijke regels en de inspecteur binnen de wettelijke termijn handelde.
De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en stelde dat de belastingrente zelfs over een kortere periode dan wettelijk vereist was berekend. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de aanslag en belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting en belastingrente blijven in stand.