Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
Beste [verzoekster] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Werknemer trad in 2016 in dienst bij Basecode als grafisch vormgever. Op 24 augustus 2023 ontving zij een brief van Basecode waarin de arbeidsovereenkomst werd opgezegd wegens bedrijfsbeëindiging met ingang van 30 september 2023. Basecode stelde later dat deze brief slechts een gespreksverslag was en vroeg op 26 augustus 2023 ontslagvergunning aan bij het UWV, die op 31 oktober 2023 werd verleend. Vervolgens zegde Basecode opnieuw op met inachtneming van de opzegtermijn.
Werknemer berustte in het ontslag en vorderde onder meer de transitievergoeding, een billijke vergoeding en vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen. De kantonrechter oordeelde dat de brief van 24 augustus 2023 een eenzijdige en niet-rechtsgeldige opzegging was, omdat de wettelijke voorschriften uit artikel 7:671 BW Pro niet waren nageleefd. De transitievergoeding en vakantiedagen waren inmiddels betaald, maar de billijke vergoeding werd deels toegewezen wegens het verwijtbare handelen van Basecode.
De billijke vergoeding werd vastgesteld op € 2.000,- voor immateriële schade, terwijl een educatief doel van de vergoeding werd afgewezen omdat Basecode haar activiteiten had gestaakt. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan werknemer toegewezen. Basecode werd tevens veroordeeld tot het verstrekken van bruto-nettospecificaties van de betaalde bedragen.
Uitkomst: Basecode heeft de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opgezegd en is veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.000,- en overige vergoedingen.