Eiseres, voormalig werkgever van een werknemer die sinds mei 2016 arbeidsongeschikt is, maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van een IVA-uitkering toegekend door het UWV. De werknemer kreeg aanvankelijk een WGA-uitkering en later een IVA-uitkering toegekend per 7 april 2022. Na bezwaar stelde het UWV de ingangsdatum vast op 5 april 2021.
Eiseres betoogde dat de verzekeringsarts had vastgesteld dat de werknemer al per 17 mei 2019 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, en dat de IVA-uitkering daarom met terugwerkende kracht vanaf die datum toegekend moest worden. De rechtbank oordeelde dat de terugwerkende kracht van een IVA-uitkering volgens artikel 64, elfde lid, van de WIA maximaal 52 weken bedraagt, tenzij sprake is van een bijzondere situatie.
De rechtbank stelde vast dat eiseres niet voldeed aan de bewijslast voor een bijzondere situatie. De wetgever heeft de terugwerkende kracht bewust beperkt tot 52 weken om consistentie met andere arbeidsongeschiktheidswetten te waarborgen. Bovendien had eiseres het verzoek tot herbeoordeling eerder kunnen indienen, maar wachtte zij meer dan twee jaar na het eerdere besluit van het UWV.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat de IVA-uitkering per 5 april 2021 ingaat. Eiseres heeft geen recht op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.