ECLI:NL:RBZWB:2024:1473
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €14.122 en een rente van €1 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de toepassing van de herleidingsmethode, de juiste handelsinkoopwaarde van de auto en de waardevermindering wegens schade. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht en correct is vastgesteld, mede omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
De rechtbank weegt taxatierapporten van belanghebbende en de hertaxateur van DRZ af en concludeert dat de schadecorrecties van de inspecteur juist zijn. De discussie over de aanwezigheid van een achterbank op het moment van aangifte blijft onduidelijk, waardoor geen extra waardevermindering wordt toegekend. Ook de herleidingsmethode wordt niet toegepast omdat de gemiddelde waarde van twee referentievoertuigen een redelijke benadering vormt.
Hoewel het beroep ongegrond is verklaard, kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van drie maanden. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende vergoed, te betalen door de Staat. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 7 maart 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.