ECLI:NL:RBZWB:2024:1750
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vennootschapsbelastingaanslagen en belastingplichtigheid particulier fonds
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van een particulier fonds tegen aanslagen vennootschapsbelasting over 2017 en 2018. De inspecteur had aanslagen opgelegd op basis van een schatting van huurinkomsten uit een Nederlands vastgoed, bewoond door een familielid zonder huurcontract.
Belanghebbende stelde geen vennootschapsbelastingplicht te hebben vanwege de status als afgezonderd particulier vermogen en fiscale transparantie. De rechtbank verwierp deze stellingen, oordeelde dat de APV-regeling niet integraal doorwerkt naar de vennootschapsbelasting en dat onvoldoende is aangetoond dat de oprichter over het vermogen kon beschikken alsof het zijn eigen vermogen was.
Verder stelde belanghebbende dat zij vergelijkbaar was met een Nederlandse stichting, maar de rechtbank stelde vast dat het fonds uitkeringen mag doen en daarom niet vergelijkbaar is met een stichting, waardoor de uitzondering op vennootschapsbelastingplicht niet van toepassing is.
De rechtbank concludeerde dat belanghebbende niet voldeed aan de administratieve eisen en dat de inspecteur terecht een schatting maakte van de belastbare winst. De door belanghebbende aangevoerde verminderingen wegens verbouwing en anti-kraak bewoning werden onvoldoende onderbouwd. De aanslagen en de belastingrente werden bevestigd en de beroepen ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen vennootschapsbelasting 2017 en 2018 worden ongegrond verklaard en de aanslagen inclusief belastingrente bevestigd.