Conclusie
1.Inleiding
Prunus en Poloniumen
X BV en TBG Ltd.zich tot elkaar verhouden, rijzen een aantal meer principiële EU-rechtelijke vragen op die ik in deze conclusie behandel. Daarnaast neem ik conclusie omdat in deze zaak de vraag rijst of bij afwezigheid van een rechtstreeks financieel belang bij een bepaalde klacht, de rechter onder omstandigheden niet toch moet overgaan tot behandeling van die klacht. Ik besteed in deze conclusie tevens aandacht aan de betekenis van het in de Wet IB 2001 opgenomen regime voor afgezonderde particuliere vermogens (APV) voor de vennootschapsbelastingplicht en de achtergrond van de buitenlandse belastingplicht voor de vpb.
hoofdstuk 4behandel ik de vraag of belanghebbende wel belang heeft bij de behandeling van haar stelling dat zij niet belastingplichtig is. Het gaat in deze procedure immers enkel nog om verliesvaststellingsbeschikkingen vpb en belanghebbende bestrijdt niet de hoogte van de vastgestelde verliezen. Ik meen dat deze kwestie ambtshalve moet worden onderzocht. Belanghebbende heeft op zichzelf bezien wel belang bij het instellen van rechtsmiddelen tegen beslissingen over de verliesvaststellingsbeschikkingen. Zij is dus wel ontvankelijk. Maar ook als het rechtsmiddel ontvankelijk is, behoeft de rechter niet op elk door partijen aangedragen stelling antwoord te geven. Naar mijn mening gaat het er daarbij om of de betrokkene met die stelling in een betere positie kan komen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende beslissingen. Het is de vraag of belanghebbende iets te winnen heeft bij haar stelling dat zij niet belastingplichtig is. De bestaande rechtspraak over het procesbelang wijst naar mijn mening in de richting van het buiten behandeling laten van die stelling. Die stelling kan immers belanghebbende
zelfniet in een financieel betere positie brengen met betrekking tot
dezeverliesvaststellingsbeschikking. Ik geef de Hoge Raad desondanks in overweging de vraag naar de belastingplicht van belanghebbende wel te behandelen. De afwezigheid van belastingplicht voor een lichaam als belanghebbende heeft gevolgen voor de invulling van de aangifteplicht en de omvang van de administratieplicht van art. 52 AWR Pro. Ik vind het daarom redelijk dat iemand die ‘slechts’ een verliesvaststellingsbeschikking ontvangt en nog geen onmiddellijk financieel belang heeft bij een oordeel over zijn belastingplicht, voordat er gepalaverd wordt over aangiften, euro’s en journaalposten, aan de orde mag stellen of dat gepalaver ergens toe kan leiden. Ik geef de Hoge Raad daarom in overweging de vraag naar de belastingplicht van belanghebbende wel te behandelen.
hoofdstuk 5zet ik uiteen wat de strekking van het APV-regime is. Ik licht vervolgens in
onderdelen 8.1-8.9toe waarom het beroep dat in het eerste middel van cassatie wordt gedaan op dit APV-regime faalt. Art. 2.14a Wet IB 2001 regelt niet de transparantie van subjecten, maar de toerekening van objecten. Belanghebbende kan reeds daarom niet op grond van het APV-regime als fiscaal transparant worden aangemerkt. Verder kan het APV-regime niet ertoe leiden dat alle vermogensbestanddelen van een lichaam voor de heffing van vpb worden toegerekend aan de APV-gerechtigden. De wettekst en wetsgeschiedenis van art. 2.14a Wet IB 2001 kunnen niet de conclusie dragen dat APV-regime onverkort van toepassing is voor de heffing van vpb.
hoofdstuk 6leg ik uit tegen welke achtergrond de (mogelijke) buitenlandse belastingplicht van belanghebbende moet worden bezien en beoordeeld. Ik behandel hierbij de verschillen tussen de wettelijke omschrijving van de buitenlandse en binnenlandse subjectieve belastingplicht. Ook ga ik in op de invoering van art. 3(2) Wet Vpb 1969. Deze bepaling stelt voor buitenlandse stichtingen, verenigingen en kerkgenootschappen die vergelijkbaar zijn met de Nederlandse evenknie als voorwaarde voor belastingplicht dat zij een materiële onderneming drijven. Tevens geef ik enige achtergrond bij het figuur van de SPF.
hoofdstuk 7ga ik in op de EU-kwestie die de aanleiding vormt voor deze conclusie, te weten de vrijheid van kapitaalverkeer tussen lidstaten en de LGO’s. In het LGO-besluit is de vrijheid van kapitaalverkeer anders geformuleerd dan in artt. 63-65 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De vraag is wat hiervan de gevolgen zijn voor het kapitaalverkeer tussen het grondgebied van de Unie en de LGO’s. In het arrest
Prunus en Poloniumoordeelde het HvJ EU kort gezegd dat de LGO’s als derde landen onder de vrijheid van kapitaalverkeer ex art. 63 VWEU Pro vallen, maar ik acht na het arrest
X BV en TBG Ltdniet meer verdedigbaar dat een tot een lidstaat behorende LGO een derde land is in relatie tot diezelfde lidstaat. Ik meen dat ook het kapitaalverkeer tussen een LGO en een andere lidstaat zou moeten vallen onder de kapitaalverkeersbepaling van het LGO-besluit, en niet onder art. 63 VWEU Pro. Het belang van deze kwestie voor deze zaak is gelegen in twee mogelijke verschillen tussen de kapitaalverkeersbepalingen ex het LGO-besluit en die ex het VWEU. Het eerste mogelijke verschil ziet op de fiscale uitzonderingsclausule. De vraag kan worden gesteld of onder het LGO-besluit willekeurige discriminaties op fiscaal gebied verboden zijn. Mijns inziens ligt het zeer voor de hand dat dit verbod ook in LGO-verband geldt. Willekeurige discriminaties zijn wél verboden ten aanzien van het gewone (niet fiscale) vrije kapitaalverkeer onder het LGO-besluit. Daarnaast volgt uit vaste rechtspraak van het HvJ EU dat de vrijheid van kapitaalverkeer moet worden uitgelegd in samenhang met het verbod op willekeurige discriminaties. Een tweede mogelijk verschil betreft het ontbreken in het LGO-Besluit van een eigen standstillbepaling zoals die van art. 64 VWEU Pro. Ervan uitgaande dat de kapitaalverkeersbepaling uit het LGO-besluit van toepassing is op de ‘eigen’ LGO van een lidstaat, meen ik dat ook de daarin opgenomen schakelbepaling naar art. 64 VWEU Pro van toepassing is in de fiscale relatie met die ‘eigen’ LGO. Er voorts van uitgaande dat deze schakelbepaling inhoudt dat art. 64 VWEU Pro naar analogie van toepassing is op de vrijheid van kapitaalverkeer tussen de Unie en de LGO, meen ik dat de standstillbepaling doorwerkt in fiscale LGO-verhoudingen.
onderdeel 8.17-8.23ga ik in op de door belanghebbende – voor het eerst in cassatie – gemaakte vergelijking met ‘andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen’, wier binnenlandse belastingplicht beperkt is tot ondernemingsactiviteiten. Ik denk niet dat dit een in cassatie ontoelaatbaar novum is, zoals de Staatssecretaris betoogt: de feitenrechters hadden moeten onderzoeken of belanghebbende aan de vrijheid van kapitaalverkeer het recht kan ontlenen om ten aanzien van haar belastingplicht net zo behandeld te worden als een SPF met vastgoed die in Nederland is gevestigd. Ik meen voorts dat art. 3(2) Wet Vpb 1969 niet ruim kan worden geïnterpreteerd in die zin dat ‘andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen’ als (impliciet) bestreken door art. 3(2) Wet Vpb 1969 moeten worden opgevat.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
vier middelen.
eerste middelbetoogt dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de APV-regeling niet integraal doorwerkt naar de vpb, terwijl sinds 1 januari 2010 toerekening van een in een APV afgezonderd vermogen niet kan plaatsvinden buiten het APV-regime om. Belanghebbende verwijst naar parlementaire geschiedenis ter onderbouwing van haar stelling dat de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is om vanaf 2010 toerekening van discretionair afgezonderd vermogen louter plaats te laten vinden op grond van het APV-regime en niet op grond van een ander leerstuk.
tweede middelbestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende, een SPF, niet vergelijkbaar is met een Nederlandse stichting en evenmin vergelijkbaar is met een STAK. Het Hof heeft miskend dat ten aanzien van de vergelijkbaarheid van een SPF met een Nederlandse stichting niet is vereist dat de lichamen identiek zijn, maar dat het voldoende is dat deze vergelijkbaar zijn. Voorts heeft het Hof geen acht geslagen op de bedoeling van de wetgever om de toets ten aanzien van de vergelijkbaarheid ruimer toe te passen na de aanpassing van de artikelen 3 en 4 Wet Vpb dan onder het besluit van de Staatssecretaris van 5 januari 2006. Ten aanzien van de vergelijkbaarheid met een STAK stelt belanghebbende dat een STAK niet wettelijk verplicht is om de ontvangen opbrengsten door te geven aan de certificaathouders en dat een STAK uitkeringen kan doen aan haar oprichter. In dat geval is een SPF vergelijkbaar met een STAK.
derde middelziet op het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat belanghebbende geen materiële onderneming dreef, niet ter zake doet voor de toepassing van art. 17a(a) Wet Vpb 1969. Belanghebbende betoogt dat art. 3(2) Wet Vpb 1969 toepassing van art. 17a Wet Vpb uitsluit. Een buitenlandse stichting is in Nederland immers slechts onderworpen aan vpb indien sprake is van een in Nederland gedreven onderneming.
vierde middelwordt subsidiair voorgesteld indien het tweede middel ongegrond wordt verklaard. Het middel brengt naar voren dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat niet valt in te zien dat de behandeling van belanghebbende een verboden belemmering van de vrijheid van kapitaalverkeer (art. 63 VWEU Pro) meebrengt. Als belanghebbende niet vergelijkbaar zou zijn met een Nederlandse stichting, zou zij volgens belanghebbende moeten worden gerekend tot de ‘andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen’ bedoeld in art. 2(1)(e) Wet Vpb 1969. Per 1 januari 2012 is de wet gewijzigd, als gevolg waarvan in Nederland gevestigde stichtingen, verenigingen en kerkgenootschappen slechts in de heffing van de vpb worden betrokken voor zover zij een onderneming drijven. Belanghebbende meent dat de wetgever heeft erkend dat deze wetswijziging noodzakelijk was om een inbreuk op het EU-recht op te heffen. Die inbreuk kon er bijvoorbeeld uit bestaan dat een niet in Nederland gevestigde entiteit die onroerende zaken bezit en geen onderneming dreef aan de heffing van vpb werd onderworpen, terwijl dit niet het geval zou zijn voor, bijvoorbeeld, een in Nederland gevestigde stichting. Een dergelijke inbreuk is echter niet weggenomen voor ‘andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen’. De vpb-heffing van niet-ingezetenen ten aanzien van handelingen waarbij op het grondgebied van Nederland in onroerende zaken wordt belegd, terwijl ingezetenen daarvan zijn uitgezonderd, leidt tot een beperking van het vrije kapitaalverkeer.
eerste middelstelt de Staatssecretaris dat in de parlementaire geschiedenis expliciet is opgemerkt dat er geen doorwerking is van de APV-regeling buiten de artikelen genoemd in art. 8(15) Wet Vpb 1969 om.
tweede middelmerkt de Staatssecretaris op dat voor een SPF een uitzondering geldt op het uitkeringsverbod. Een dergelijke uitzondering op het uitkeringsverbod van art. 2:285 BW Pro is niet opgenomen in de Nederlandse wet. Voor een STAK geldt dat zij weliswaar opbrengsten doorgeeft aan de certificaathouders, maar dit is geen uitkering in de zin van art. 2:285(3) BW. Een STAK is immers verplicht op grond van een beheersovereenkomst opbrengsten door uit te delen; het is dus geen vrijwillige uitdeling zoals een SPF kan doen, aldus de Staatssecretaris.
derde middelbrengt naar voren dat, nu belanghebbende niet vergelijkbaar is met een Nederlandse stichting of vereniging, slechts art. 3(1) Wet Vpb 1969 van toepassing is en dus niet wordt toegekomen aan de uitzondering van art. 3(2) Wet Vpb 1969, zo betoogt de Staatssecretaris.
vierde middelstelt de Staatssecretaris aan de orde dat de door belanghebbende ingenomen stelling niet meer in cassatie kan worden aangevoerd. Voor het Hof heeft belanghebbende zich steeds uitsluitend vergeleken met een naar Nederlands recht opgerichte stichting of met een STAK. In cassatie vergelijkt belanghebbende zich daarentegen met 'andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen' als bedoeld in art. 2(1)(e) Wet Vpb 1969. Voor zover onderzoek van deze vergelijking een beoordeling van feitelijke aard vergt, is daarvoor in cassatie geen mogelijkheid, aldus de Staatssecretaris.
4.Is er wel een procesbelang?
zelfniet in een betere positie brengen met betrekking tot
dezeverliesvaststellingsbeschikking. Tegen de tijd dat belanghebbende in een netto-winstpositie komt te verkeren, kan zij altijd nog haar belastingplicht ter discussie stellen. Bovendien zou het thans geven van een bevestigend antwoord op de vraag naar de belastingplicht van belanghebbende, een op de voet van art. 36 Invorderingswet Pro 1990 aansprakelijk gestelde (gewezen) bestuurder kunnen benadelen, zonder dat die bestuurder in deze procedure een inbreng kan leveren. Daar tegenover staat dat ik met Lubbers (4.11) van mening ben dat de belastingrechter – binnen het toch al knellende keurslijf van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – zijn best behoort te doen zo snel mogelijk rechtszekerheid te verschaffen. Daarbij past het niet dat die rechter ambtshalve formele barrières opwerpt. Het bieden van rechtszekerheid is een belangrijk element van rechtsbescherming en rechtszekerheid kan nu eenmaal niet met terugwerkende kracht worden verstrekt. En hoewel iemand die ‘slechts’ een verliesvaststellingsbeschikking ontvangt nog geen onmiddellijk financieel belang heeft bij een oordeel over zijn belastingplicht, vind ik het wel redelijk dat hij voordat er gepalaverd wordt over aangiften, euro’s en journaalposten, aan de orde mag stellen of dat gepalaver ergens toe kan leiden. Ik geef de Hoge Raad daarom in overweging de vraag naar de belastingplicht van belanghebbende wel te behandelen.
5.Het APV-regime
6.Buitenlandse vennootschapsbelastingplicht voor een SPF
uitsluitenvan belastingplicht voor open fondsen onder art. 2 Wet Pro Vpb 1969 vanwege de voorwaarde dat het kapitaal (geheel of gedeeltelijk) in aandelen moet zijn verdeeld vat de Hoge Raad dus dusdanig ruim op dat dit kennelijk ook door de wetgever is bedoeld voor art. 3(1)(b) Wet Vpb 1969, in de tekst van welke bepaling diezelfde voorwaarde wordt gesteld. Tegelijkertijd wordt de ‘ommezwaai’ van de wetgever dat open fondsen wel belastingplichtig zijn onder art. 2(1)(f) Wet Vpb 1969 beperkt uitgelegd: de wetgever heeft in art. 3 Wet Pro Vpb 1969 niet een zelfde of vergelijkbare bepaling opgenomen, en daarom geldt de ‘ommezwaai’ niet voor art. 3 Wet Pro Vpb 1969. Het
insluitenvan open fondsen voor art. 2 Wet Pro Vpb 1969 wordt dus juist strikt of beperkt opgevat, als zijnde alleen van toepassing op binnenlands belastingplichtige lichamen.
Maple Leaf-arrest bespreekt A-G Hartlief de rechtsvorm Stichting Particulier Fonds. Met hem meen ik dat een SPF een zekere gelijkenis vertoont met een trust en dat het Nederlands recht in principe geen met de SPF vergelijkbare rechtsvorm kent: [58]
Stichting Particulier Fonds
estate planning.
trust. Ook een
trustvoorziet immers in (de mogelijkheid van) een afgescheiden familie- of doelvermogen. Toch zijn er niet onbelangrijke verschillen tussen de SPF en de (Nederlands-Antilliaanse)
trustzo bleek bij de behandeling in 2001-2002 in de Staten van de (toenmalige) Nederlandse Antillen van een memorie van toelichting bij een wetsvoorstel tot invoering van een trust. Een
trustheeft – anders dan een SPF – geen rechtspersoonlijkheid. De
trusteeblijft rechthebbende op het vermogen van de
trust. Wel geniet de
beneficiaryvan een
trustbescherming in die zin dat het trustvermogen niet in een faillissement van de
trusteewordt betrokken en dat het trustvermogen geen deel uitmaakt van zijn huwelijksgoederengemeenschap of nalatenschap. Het recht van Curaçao voorziet sinds 2012 in de mogelijkheid van het instellen van een trust. Het recht van Sint Maarten volgde in 2014 (art. 3:126-3:161 BW Sint Maarten). Naast de SPF kent men dus in Sint Maarten de
trust.
Nederlandse inkomstenbelastingis de vraag opgekomen of het in een SPF opgebouwde kapitaal onder de vermogensrendementsheffing (box 3) van de belanghebbende valt. Uit een arrest van de fiscale kamer van Uw Raad blijkt dat die vraag niet in algemene zin bevestigend kan worden beantwoord. Dat zou, zo kan uit dat arrest worden afgeleid, wel het geval zijn wanneer de belanghebbende kan beschikken over het vermogen in de SPF als ware het eigen vermogen en tevens in het geval de belanghebbende een afdwingbaar recht op een uitkering jegens de SPF heeft (in verband met belasting op grond van art. 5.3 lid 2 sub f Wet IB 2001). Uit deze uitspraak van Uw Raad kan worden opgemaakt dat de SPF in fiscale zin als een aparte juridische entiteit (rechtssubject) moet worden aangemerkt.
Maple Leaf-arrest dat een SPF ‘slechts hierin’ verschilt van een stichting dat voor een SPF geen uitkeringsverbod geldt: [59]
7.Vrijheid van kapitaalverkeer tussen lidstaten en LGO
Prunus en Poloniumheeft het HvJ EU zich uitgelaten over de relatie tussen een lidstaat (Frankrijk) en een LGO (British Virgin Islands) van een
anderelidstaat (het VK). Hierin oordeelde het HvJ EU kort gezegd dat de LGO als derde landen onder de vrijheid van kapitaalverkeer ex art. 63 VWEU Pro vallen en dat toepassing van de standstillbepaling van art. 64 VWEU Pro in zo’n geval mogelijk is (vetgedrukt van mijn hand): [62]
Bijgevolg genieten de LGO als derde staten de in artikel 63 VWEU Pro voorziene vrijmaking van het kapitaalverkeer.
X BV en TBG Ltdheeft het HvJ EU, zoals te doen gebruikelijk, eerst de prejudiciële vragen geherformuleerd. De eerste prejudiciële vraag heeft het HvJ EU zo geherformuleerd dat de nadruk is verschoven van de vraag of art. 63 VWEU Pro van toepassing is, naar de vraag hoe de regels rond het vrij verkeer van kapitaal moeten worden uitgelegd, en dat is naar mijn mening niet zonder belang (ik werk dit uit in 7.11): [64]
Gelet op de in punt 45 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak en gelet op het feit dat het vierde deel van het EG-Verdrag noch het LGO-besluit, met als rechtsgrondslag dat deel van het Verdrag, uitdrukkelijk verwijst naar artikel 56 EG Pro, dient de prejudiciële vraag te worden getoetst aan dat artikel 47, lid 1, en dient te worden nagegaan of de draagwijdte van deze bepaling is gepreciseerd of afgebakend in andere regels van de bijzondere regeling waaronder de associatie EU-LGO valt.
zonder dat behoeft te worden onderzocht in welke mate de Unierechtelijke regels betreffende de verhoudingen tussen de Unie en de LGO van toepassing zijn op een lidstaat en zijn eigen LGO, dat het recht van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een belastingmaatregel van een lidstaat waardoor het kapitaalverkeer tussen deze lidstaat en zijn eigen LGO wordt beperkt, in zoverre daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.”
Prunuste verklaren? Ik denk als volgt: in
Prunusheeft het Hof de niet-eigen LGO (‘derde’-LGO) van de lidstaten voor de toepassing van het kapitaalverkeer met de Unie aangemerkt als derde landen in de zin van art. 63 VwEU Pro omdat hij – terecht – wil vermijden dat kapitaalverkeer met de LGO slechter af zou zijn dan kapitaalverkeer met (‘echte’) derde landen. In
Prunusmeende hij kennelijk nog dat een vergelijkbare kapitaalverkeervrijmaking als in art. 63 VwEU Pro voorzien voor derde landen niet via art. 47 LGO Pro-Besluit voor de LGO bereikt kon worden, omdat die laatste bepaling nu eenmaal veel beperkender is geformuleerd dan art. 63 VwEU Pro. (…)
X en TBGalsnog heeft bedacht dat een zelfde resultaat voor de LGO als voor derde landen ook op andere wijze bereikt kan worden dan door de LGO – in strijd met de preambule van het LGO-Besluit – als derde landen in de zin van art. 63 VwEU Pro aan te merken, nl. door het verschil in formulering – en daarmee, naar iedereen dacht, het verschil in reikwijdte – tussen art. 47 LGO Pro-Besluit en art. 56 EG Pro/art.63 VwEU Pro simpelweg te negeren; door beide bepalingen convergerend te interpreteren. In r.o. 48 stelt het Hof immers uit het niets dat art. 47(1) LGO-Besluit “een bijzonder ruime draagwijdte” heeft (“une portée particulièrement large”; “a particularly wide scope”; “eine besonders große Tragweite”), “die nauw aansluit bij de draagwijdte van artikel 56 EG Pro in de verhoudingen tussen de lidstaten en derde landen” (“avoisinant la portée de l’article 56 CE”; “close to the scope of Article 56 EC”; “die der Bedeutung von Art. 56 EG Pro (…) nahekommt”). Dat was tot dan toe niemand opgevallen. En in r.o. 49 stelt het Hof dat art. 47 LGO Pro-Besluit een verbod op beperkingen op dividenduitkeringen bevat “in lijn met” het verbod van art. 63 VwEU Pro (“à l’instar de”; “along the lines of”; “so wie”). Ik leid hier uit af dat het Hof wil bereiken dat beide bepalingen in beginsel dezelfde reikwijdte hebben (de ene voor derde landen; de andere voor de LGO), zodat het – behoudens
carve outszoals art. 55 LGO Pro-Besluit en behoudens wellicht de
grandfather clausevan art. 64 VwEU Pro, die niet in het LGO-Besluit voorkomt – niet meer uitmaakt of de ene of de andere bepaling geldt voor kapitaalverkeer tussen Unie en LGO. Dat scheelt een hoop gedoe en daarmee wordt het terechte bezwaar weggenomen dat ook Jääskinen weer opwierp, nl. dat het kapitaalverkeer met de LGO anders ongunstiger behandeld zou worden dan dat met derde landen.”
X BV en TBG Ltdhet herstel van een ‘omissie’ door het HvJ EU in
Prunus, in welk arrest het HvJ EU wel vermeldde dat het EG-verdrag en het VWEU als zodanig niet ingaan op het kapitaalverkeer tussen lidstaten en LGO, maar niet vermeldde dat het LGO-besluit (wél) een bepaling bevat over kapitaalverkeer tussen lidstaten en LGO: [69]
X BV en TBG Ltdeen fout in het arrest
Prunusheeft willen rechtzetten. Omdat het HvJ EU niet openlijk terugkomt van eerdere rechtspraak, kan in de tekst van laatstgenoemd arrest niet onmiddellijk worden gelezen wat het HvJ EU terugneemt. Maar
dathet HvJ EU op zijn schreden moest terugkeren is volgens mij wel duidelijk. In het arrest
Prunusoordeelde het HvJ EU dat LGO de in artikel 63 VWEU Pro voorziene vrijmaking van het kapitaalverkeer genieten “en leur qualité d’États tiers”. [70] Die LGO worden dus niet voor de toepassing van art. 63 VWEU Pro hetzelfde behandeld als derde landen, nee, het
zijnvolgens het HvJ EU derde landen. Zij hebben die ‘qualité’. Dat klopt natuurlijk niet, en de eerste vraag van de Hoge Raad in de zaak
X BV en TBG Ltdbracht dat aan het licht. Want volkenrechtelijk maken de LGO uiteraard deel uit van de staten die de EU-verdragen hebben gesloten. Alleen het Koninkrijk kan verdragen sluiten en is dus partij bij het VWEU. Het Koninkrijk is dus de lidstaat, en de Nederlandse Antillen maakten deel uit van het Koninkrijk en dus ook van de lidstaat. [71] Alleen hebben de lidstaten – kort gezegd – afgesproken dat het grondgebied van de Unie zich niet uitstrekt tot de LGO. Aldus maakt een LGO geen deel uit van de Unie, maar wel van de desbetreffende lidstaat. Het HvJ EU kon dus onmogelijk voortgaan op de in het arrest
Prunusgekozen weg en oordelen dat voor de lidstaat ‘het Koninkrijk der Nederlanden’ het land de Nederlandse Antillen een ‘État tier’ (‘a non-Member State’) is. [72] De volkenrechtelijke reactie vanuit het Koninkrijk en de andere lidstaten met LGO zou voor de hand liggen: “hoe wij in ons staatsverband omgaan met gebiedsdelen overzee is een interne aangelegenheid!” Maar evenzeer zal het HvJ EU zijn teruggedeinsd voor het oordeel dat het VWEU helemaal niets kan regelen – ook niet in het vierde deel – over de relatie tussen lidstaten en de LGO die deel uitmaken van die lidstaat. Het komt er kortgezegd op neer dat de ‘eigen’ LGO wel ‘derde’ is ten opzichte van het grondgebied van de Unie, maar geen afzonderlijke staat is ten opzichte van de verdragsluitende lidstaat. Ik proef uit het arrest
X BV en TBG Ltddat het HvJ EU de principiële kwestie uit de weg heeft willen gaan door te oordelen dat niet onderzocht hoeft te worden of de vrijheid van kapitaalverkeer van toepassing is, omdat die vrijheid (zo al van toepassing en waarop ook gebaseerd) hoe dan ook niet wordt geschonden door een maatregel waarmee belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt bestreden.
X BV en TBG Ltdniet meer verdedigbaar is dat een tot een lidstaat behorende LGO een derde land is in relatie tot diezelfde lidstaat. Dan resteren er twee mogelijkheden: ofwel er geldt helemaal geen Unierechtelijke vrijmaking van het kapitaalverkeer tussen een lidstaat en de eigen LGO, ofwel er geldt in hun verhouding de in het LGO-besluit neergelegde vrijheid van kapitaalverkeer. Welke mogelijkheid rechtens juist is, kan naar mijn mening niet rechtstreeks worden afgeleid uit het arrest
X BV en TBG Ltd.
X BV en TBG Ltdbrengt het HvJ EU immers de reikwijdte van beide bepalingen (zeer) dicht bij elkaar (overweging 48). Daaruit kan worden afgeleid dat beide bepalingen in beginsel zoveel mogelijk hetzelfde moeten worden uitgelegd. [73] Deze zaak heeft twee aspecten waarin die bepalingen mogelijk nog wel van elkaar verschillen.
AllianzGI-Fonds AEVNverwoordt het HvJ EU dit als volgt: [76]
welautomatisch verenigbaar worden met het LGO-besluit. Een dergelijk groot onderscheid laat zich mijns inziens niet goed rijmen met de kennelijke bedoeling van het HvJ EU om de verschillen tussen derde landen en LGO wat betreft het kapitaalverkeer zoveel mogelijk ‘glad te strijken’.
Prunusen
X BV en TBG Ltd.
X BV en TBG Ltdin een voorkomend geval aanleiding voor het opnieuw stellen van prejudiciële vragen over de toepasselijkheid van de standstillbepaling tussen lidstaten en hun eigen LGO’s aan Luxemburg: [79]
Prunusheeft vastgesteld (in r.o. 32), is art. 64 VWEU Pro ingevolge art. 47 lid 2 LGO Pro-besluit naar analogie van toepassing op de LGO. Ook de in art. 64 lid 1 genoemde Pro ‘beperkingen’ zijn dus kennelijk ‘maatregelen’ in de zin van art. 47 lid 2 LGO Pro-besluit. Mede gelet op de context van genoemde overweging in het arrest
Prunus(de toepassing van de standstill-bepaling) is het Hof van Justitie dus kennelijk van opvatting dat art. 47 lid 2 LGO Pro-besluit mede naar de standstill-bepaling van art. 64 lid 1 VWEU Pro verwijst. Het lijkt dus nogal (proces-)oneconomisch om de tweede vraag niet te beantwoorden, tenzij het Hof van Justitie van oordeel zou zijn dat art. 64 VWEU Pro niet geldt in de relatie tot de eigen LGO. Dat acht ik niet uitgesloten. Zoals ik in onderdeel 5 uiteenzette, lijkt het Hof van Justitie de vraag naar de positie van de LGO in de rechtsbetrekking tot hun eigen lidstaat voor de toepassing van de bepalingen inzake de vrijheid van kapitaalverkeer in het VWEU te hebben willen duiken. Indien de Hoge Raad van opvatting zou zijn dat de nationale maatregel de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking niet daadwerkelijk of niet evenredig nastreeft, zit er dus maar één ding op: de zaak terugverwijzen naar Luxemburg.”
X BV en TBG Ltdniet meer verdedigbaar is dat een tot een lidstaat behorende LGO een derde land is in relatie tot diezelfde lidstaat, zoals wel leek te volgen uit
Prunus. Uit het stelsel van het VWEU en het LGO-besluit leid ik af dat het kapitaalverkeer tussen een LGO en een andere lidstaat wel valt onder het LGO-besluit, maar niet onder art. 63 VWEU Pro. De relevantie hiervan voor deze zaak ziet op twee aspecten die mogelijk verschillend uitwerken onder het LGO-besluit dan bij toepassing van het VWEU. Het eerste aspect betreft de fiscale uitzonderingsclausule op het vrije kapitaalverkeer. Mijns inziens ligt het zeer voor de hand dat willekeurige discriminaties – net als voor het VWEU – zijn verboden onder de kapitaalverkeersbepaling van het LGO-besluit. Een tweede aspect dat tot verschil tussen een LGO-situatie en een intra-EU-situatie kan leiden betreft het ontbreken in het LGO-besluit van een eigen standstillbepaling zoals die van art. 64 VWEU Pro. Ik meen dat de standstillbepaling echter ook doorwerkt in de verhouding tot de eigen LGO.
8.Beoordeling van de middelen
eerste middelkeert zich tegen het oordeel van het Hof (5.14) dat de APV-regeling niet integraal doorwerkt naar de vpb. Het middel betoogt dat dit oordeel onjuist is of althans onvoldoende gemotiveerd omdat sinds 1 januari 2010 toerekening van een in een APV afgezonderd vermogen niet kan plaatsvinden buiten het in de Wet IB 2001 opgenomen APV-regime om.
transparantis. Die stelling miskent naar mijn mening dat art. 2.14a Wet IB 2001 ziet op de toerekening van bepaalde zwevende bezittingen, schulden, opbrengsten en uitgaven gehouden door een lichaam. Toepassing van art. 2.14a Wet IB 2001 leidt dus niet ertoe dat het lichaam waarin het afgezonderde vermogen is ondergebracht als zodanig wordt weggedacht of anderszins als transparant wordt aangemerkt. Toegegeven, de parlementaire geschiedenis is op dit punt minstgenomen verwarrend. Daar wordt vermeld dat “de afgezonderde particuliere vermogens als aparte entiteit worden genegeerd” en “Het afgezonderde particuliere vermogen wordt zodoende fiscaal transparant behandeld” [81] . Maar dat klopt niet: de vermogensbestanddelen van een lichaam dat als APV is aangemerkt worden
geachtte behoren tot de inbrenger of diens erfgenamen. Reeds daarom kan de conclusie ‘belanghebbende is transparant’ niet steunen op de premisse ‘art. 2.14a Wet IB 2001 werkt door naar de vpb’. Art. 2.14a Wet IB 2001 regelt namelijk niet de
transparantievan subjecten, maar de
toerekeningvan objecten.
alsde toerekeningsstop van toepassing is, het vermogen niet alsnog via andere weg fiscaal wordt toegerekend aan de achterliggende natuurlijk personen. In dat geval wordt er immers al geheven en kan dus niet worden gesproken van een heffingslek. Er blijkt dus niet uit, zoals belanghebbende stelt, dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is om toerekening louter te laten plaatsvinden op grond van het APV-regime. Het citaat brengt alleen naar voren dat
alsheffing gewaarborgd is, het vermogen niet wordt toegerekend op grond van het APV-regime of op enige andere wijze.
in het geval dater geen vpb-heffing plaatsvindt. Ik zie niet in hoe daar de conclusie uit kan worden getrokken dat het bedoeling is dat een SPF per definitie een beroep kon doen op art. 3(2) Wet Vpb 1956. De parlementaire geschiedenis bij de Wet kwalificatiebeleid rechtsvormen die veelvuldig wordt aangehaald door belanghebbende, is niet relevant voor dit geschil. Immers gaat het om de parlementaire geschiedenis van een andere wet die tot stand is gekomen (ver) na de inwerkingtreding van het APV-regime. Wat daar is opgemerkt kan geen uitdrukking zijn van hetgeen de wetgever bij totstandkoming van het APV-regime voor ogen heeft gestaan. [83]
vervangen. De wetgever doelt hierbij er volgens mij op dat het juist de twijfelgevallen en de non-transparantiesituaties heeft willen
ondervangen.
tweede middelbestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende, een SPF, niet vergelijkbaar is met een Nederlandse stichting en evenmin vergelijkbaar is met een STAK.
alseen STAK opbrengsten ‘dooruitdeelt’ dit een verplichte prestatie is op grond van de beheerovereenkomst.
het negeren van het doelvermogenparallellen vertoont met de
fiscale behandelingvan de STAK, en dus niet dat doelvermogens als zodanig vergelijkbaar zijn met een STAK. [89]
derde middelziet op het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat belanghebbende geen materiële onderneming dreef, niet ter zake doet voor de toepassing van art. 17a(a) Wet Vpb 1969. Belanghebbende betoogt dat art. 3(2) Wet Vpb 1969 toepassing van art. 17a Wet Vpb uitsluit.
vierde middel. Dat middel keert zich tegen overweging 5.34 van de uitspraak van het Hof, waarin het Hof het beroep van belanghebbende op de vrijheid van kapitaalverkeer (art. 63 VWEU Pro) verwerpt (2.13). Omdat deze problematiek nogal gelaagd is, ‘pel’ ik hierna de vragen die het middel opwerpt na elkaar af.
X BV en TBG Ltdmoeilijk anders kan worden afgeleid dan dat dat niet kan (7.11). Uit datzelfde arrest leid ik verder af dat de vrijekapitaalverkeersbepaling uit het LGO-besluit van toepassing is op het kapitaalverkeer tussen een LGO en de lidstaat waartoe de LGO behoort (in zoverre is er dus geen sprake van een zuiver ‘interne’ situatie) (7.12). Ook leid ik uit dit arrest en
Prunusaf dat het HvJ EU de vrijekapitaalverkeersbepaling uit het LGO-besluit min of meer convergerend met art. 63 VWEU Pro interpreteert. In deze zaak spelen mogelijk wel nog verschillen tussen deze twee bepalingen, te weten de toepasselijkheid van de standstillbepaling en de reikwijdte van de fiscale uitzonderingsbepaling in het LGO-besluit, daar kom ik later op terug.
X BV en TBG Ltdmoet worden afgeleid dat het derde deel van het VWEU (waarin de art. 63 en Pro 64 VWEU staan) niet van toepassing is op LGO, en in elk geval niet op de eigen LGO van een lidstaat. Wel is naar mijn indruk in die relatie de kapitaalverkeersbepaling van het LGO-besluit van toepassing, inclusief de schakelbepaling naar art. 64 VWEU Pro. Als – zoals het HvJ EU heeft overwogen in het arrest
Prunus(overweging 32) – deze schakelbepaling inhoudt dat art. 64 VWEU Pro van overeenkomstige toepassing is, dan kan belanghebbende inderdaad de standstill worden tegengeworpen (8.33). Onduidelijk daarbij is wel welke betekenis moet worden toegekend aan de wijziging van de tekst van deze schakelbepaling. In het zevende LGO-besluit (waarnaar het HvJ EU verwijst in het arrest
Prunus) stond nog dat de Unie,
de lidstatenen de LGO de in art. 64 VWEU Pro bedoelde maatregelen kunnen treffen, terwijl in art. 59(3) LGO-besluit 2014 de verwijzing naar de lidstaten niet meer voorkomt.
clairof
éclairédat het HvJ EU in de tekst van het VWEU en het LGO-Besluit voldoende ruimte ziet voor een zodanige praktische gelijkstelling.
underlying logicvan de belemmerende bepaling dezelfde gebleven. De andere optie is dat de Hoge Raad oordeelt dat het beroep op de standstillbepaling niet mogelijk is. In dat geval zou moeten worden onderzocht of een beroep op de fiscale uitzonderingsbepaling in het LGO-besluit kan worden gedaan.
clairachten, dan kan ook daarover een prejudiciële vraag worden gesteld.
incoherentzonder dat daarvoor een reden genoemd of te vinden is
.Kortom: er valt naar mijn opvatting niet direct een rechtvaardigingsgrond aan te wijzen voor het verschil in behandeling.
clairof
éclairé. Daarom meen ik dat – als de Hoge Raad aan die kwestie toekomt –daarover een prejudiciële vraag aan het HvJ EU moet worden gesteld. In het kader van die prejudiciële vraag zou aandacht besteed moeten worden aan de volgende deelvragen: