Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) gebruiker van een complex met hotel, privéwoning en twee recreatiewoningen. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde op €1.178.000 en de OZB-gebruikersaanslag op €839.000.
De rechtbank stelde vast dat de waarde niet langer in geschil was, maar beoordeelde of de heffingsgrondslag voor de OZB-gebruikersaanslag niet te hoog was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat ook de in 1997 gebouwde woning onder de woondelenvrijstelling viel, waardoor de aanslag lager zou moeten zijn. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze woning continu als reguliere woning werd verhuurd en dat de woondelenvrijstelling daarom niet van toepassing was.
Verder werd een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend, omdat de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar duurde. De rechtbank wees het beroep ongegrond, handhaafde de aanslagen en kende een schadevergoeding van €150 en proceskosten van €218,75 toe aan belanghebbende.
Ten slotte verwierp de rechtbank het beroep van de gemachtigde op het cessie- en verpandingsverbod in de Wet WOZ, omdat de wetgever een redelijke belangenafweging had gemaakt en geen sprake was van discriminatie of onrechtmatigheid.