Eiseres heeft op 7 februari 2023 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende schadevergoeding. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Na een ingebrekestelling op 5 maart 2024, die verweerder op 6 maart 2024 ontving, verstreken twee weken zonder besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en bepaalt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien het grote aantal aanvragen acht de rechtbank een termijn van negen weken na verzending van de uitspraak passend, in aansluiting op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 51,- respectievelijk € 437,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 7 mei 2024.