Eiseres ontving vanaf 7 december 2007 bijstand als alleenstaande. Na een anonieme melding startte de sociale recherche in februari 2023 een onderzoek naar haar buitenlandse vermogen. Eiseres verklaarde een pand en bankrekening in Turkije te hebben, die zij niet had gemeld bij haar bijstandsaanvraag. De ISD trok daarop haar bijstand in vanaf 7 december 2007 en vorderde de ten onrechte ontvangen uitkering van €188.937,76 terug.
Eiseres voerde aan dat haar verklaring onder druk was afgelegd en dat het gebruik daarvan in strijd was met het EVRM, maar de rechtbank oordeelde dat de verklaring vrij en zonder dwang was gegeven, met aanwezigheid van een tolk en ondersteuning. De rechtbank volgde de ISD dat het niet melden van vermogen een schending van de inlichtingenplicht is, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verwierp het beroep op het indruiscriterium en het verbod van reformatio in peius, en bevestigde dat de ISD bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De beroepen werden ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.