ECLI:NL:CRVB:2021:2027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet als alleenstaande. Na anonieme meldingen startte de gemeente Sittard-Geleen een onderzoek naar mogelijke samenwoning met haar partner X op het uitkeringsadres. Uit waarnemingen, een huisbezoek en verklaringen bleek dat X regelmatig verbleef in de woning van appellante, zijn persoonlijke spullen daar had en er sprake was van wederzijdse zorg.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug, omdat zij oordeelden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het gehoor onzorgvuldig was en dat er geen gezamenlijke huishouding was, maar een latrelatie.
De Raad oordeelde dat de verklaring van appellante rechtsgeldig was afgelegd en dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van het college. Het hoofdverblijf van X was het uitkeringsadres en er was sprake van wederzijdse zorg, ook zonder financiële verstrengeling. De objectieve verplichting tot het verstrekken van juiste inlichtingen was geschonden, en verwijtbaarheid speelde daarbij geen rol. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.