Tussen partijen bestond een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte van 1 juli 2018 tot 1 juli 2023. De huurder heeft de huur per 1 juli 2023 opgezegd, maar bleef huur en gemeentelijke belastingen over mei en juni 2023 verschuldigd. De verhuurder vordert betaling van deze achterstanden, contractuele boetes, herstelkosten van schade aan het gehuurde en bijkomende vergoedingen. De huurder vordert in reconventie terugbetaling van vermeende onverschuldigde service- en energiekosten.
De rechtbank oordeelt dat de huurder de huurachterstand en gemeentelijke belastingen moet betalen, evenals een gematigde contractuele boete van €600. De herstelkosten worden deels toegewezen op basis van offertes en schattingen, met aftrek van de bankgarantie. Vergoedingen voor schoonmaak en vervanging van sloten worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De vergoeding op grond van artikel 22.10 van de algemene bepalingen wordt toegewezen voor juli 2023, maar niet voor augustus en september vanwege niet-schadebeperkend handelen van verhuurder.
De vordering tot betaling van wettelijke rente over huurachterstand wordt afgewezen omdat een boetebeding geldt. De vordering tot vergoeding van incassokosten wordt deels toegewezen. De tegenvordering van huurder inzake servicekosten wordt aangehouden voor nadere bewijslevering, waarbij partijen aanvullende stukken moeten overleggen. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na het indienen van deze stukken.