Belanghebbende, gevestigd in Canada, maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen dividendbelasting opgelegd door de inspecteur over de jaren 2013 tot en met 2016. De inspecteur had ook belastingrentebeschikkingen opgelegd en bezwaren tegen overige beschikkingen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank beoordeelde of de naheffingsaanslagen, belastingrentebeschikkingen en niet-ontvankelijkverklaring terecht waren.
De rechtbank oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden, ondanks communicatie tussen de inspecteur en een derde die namens belanghebbende optrad. Belanghebbende werd niet aangemerkt als een vrijgesteld pensioenfonds omdat zij bedrijfsmatige activiteiten ontplooide die normaal vermogensbeheer overstegen. De naheffingsaanslagen waren terecht opgelegd, ook indien sprake was van dubbele heffing tot behoud van rechten.
De bezwaren tegen de overige beschikkingen waren terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende geen belanghebbende was in die beschikkingen. Wel kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedures. Daarnaast werd griffierecht en een deel van de proceskosten aan belanghebbende vergoed.