Eiser heeft op 28 maart 2023 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende schadevergoeding. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Eiser heeft verweerder op 29 maart 2024 ingebreke gesteld, welke ingebrekestelling op 2 april 2024 is ontvangen. Na het verstrijken van de wettelijke termijn zonder besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de beslistermijn is overschreden. Op grond van artikel 8:55d van de Awb legt de rechtbank een termijn van zes weken na verzending van de uitspraak op voor verweerder om alsnog een besluit te nemen, rekening houdend met het grote aantal aanvragen dat verweerder moet behandelen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €51 en proceskosten van €437,50 aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 24 juni 2024.