ECLI:NL:RBZWB:2024:4487
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Eiser ontving sinds december 2021 algemene en bijzondere bijstand, maar het college trok deze per 9 december 2021 in omdat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en zijn inlichtingenplicht had geschonden. Een onderzoek door sociale recherche en toezichthouder BRP toonde aan dat de woning niet bewoonbaar was, het water- en energieverbruik extreem laag was en er geen afval werd aangeboden. Eiser voerde aan dat hij vanwege psychische klachten vaak elders verbleef, maar altijd op het uitkeringsadres sliep.
De rechtbank oordeelde dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van eiser niet op het uitkeringsadres lag, mede gelet op het ontbreken van persoonlijke bezittingen, het ontbreken van een douche en het feit dat hij overdag elders verbleef. Het college had voldoende bewijs verzameld om de intrekking te rechtvaardigen. De schending van de inlichtingenplicht maakte het voor het college onmogelijk om vast te stellen of eiser recht had op bijstand.
De rechtbank concludeerde dat het college op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet verplicht was de bijstand in te trekken. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres en schending van de inlichtingenplicht.