ECLI:NL:CRVB:2023:1183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellante ontving sinds 2011 bijstand en stond sinds 2014 ingeschreven op een flatwoning in Nijmegen als uitkeringsadres. Het college trok de bijstand met ingang van juni 2014 in en vorderde de kosten terug over ruim vijf jaar, omdat appellante haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres zou hebben gehad en dit niet had gemeld.
De sociale recherche voerde een onderzoek uit, waarbij onder meer het waterverbruik, elektriciteits- en warmteverbruik werden geanalyseerd en buren werden gehoord. Het waterverbruik was extreem laag in een deel van de periode, wat volgens vaste rechtspraak de vooronderstelling rechtvaardigt dat de woning niet bewoond werd. De verklaringen van buren bevestigden dat er geen woonactiviteit was op het adres.
Appellante stelde dat zij wel degelijk haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat zij haar situatie aan het college had gemeld. De Raad oordeelde echter dat zij dit niet aannemelijk heeft gemaakt, mede omdat haar verklaringen niet strookten met het waterverbruik en de bevindingen uit het buurtonderzoek. De inlichtingenverplichting was geschonden, ongeacht opzet.
Verder wees de Raad het verzoek tot matiging van de terugvordering af, omdat het college verplicht is de ten onrechte betaalde bijstand terug te vorderen. De intrekking en terugvordering blijven daarom in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand blijven in stand omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.