Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
Inleiding
Welk letsel is geconstateerd en wat is de oorzaak van het overlijden?
Is het letsel toegebracht?
veel waarschijnlijker(bewijskracht minimaal 100) onder de hypothese niet-accidentele krachtinwerking dan onder de hypothese accidentele krachtinwerking. De forensisch arts wijst er verder op dat over forse krachtinwerking op het hoofd niet is verklaard.
Wanneer is het letsel toegebracht?
Heeft verdachte het letsel toegebracht?
Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet?
Conclusie
- tegen een oppervlak te slaan en/of stoten en/of
- hard op/tegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of
- anderszins hevig geweld en/of een forse krachtinwerking op/tegen zijn hoofd en/of lichaam uit te oefenen.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partijen
- € 60.000,00 aan immateriële schade, bestaande uit € 40.000,00 aan shockschade en € 20.000,00 aan affectieschade;
- € 2.000,00 ter zake van nog nader te onderbouwen schade voor een eventuele procedure in hoger beroep.
- € 30.000,00 aan shockschade;
- € 20.000,00 (primair) / € 17.500,00 (subsidiair) aan affectieschade.
Daarbij gaat het om een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2024: 346) overweegt de rechtbank dat deze uitzondering niet is bedoeld om te toetsen of er een buitengewone, extra liefdevolle en zorgzame band bestond tussen [halfzusje slachtoffer] en [slachtoffer] , maar ziet deze op de vraag of er tussen hen sprake was van een band die te vergelijken is met die tussen partners, levensgezellen of een ouder en een kind zoals die zijn opgesomd in artikel 6:108 lid 4 BW Pro. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de relatie tussen [halfzusje slachtoffer] en [slachtoffer] qua intensiteit, aard of duur, die van een normale, liefdevolle zus-broerrelatie te boven is gegaan.
Daarbij gaat het om een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2024: 346) overweegt de rechtbank dat deze uitzondering niet is bedoeld om te toetsen of er een buitengewone, extra liefdevolle en zorgzame band bestond tussen [broertje slachtoffer] en [slachtoffer] , maar ziet deze op de vraag of er tussen hen sprake was van een band die te vergelijken is met die tussen partners, levensgezellen of een ouder en een kind zoals die zijn opgesomd in artikel 6:108 lid 4 BW Pro. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de relatie tussen [broertje slachtoffer] en [slachtoffer] qua intensiteit, aard of duur, die van een normale, liefdevolle broer-broerrelatie te boven is gegaan.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
:doodslag;
een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaar;
de tijddie verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in
voorarrestheeft doorgebracht
in minderingwordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
[de moeder]van
[de moeder]in
het overige gedeeltevan haar vordering
niet-ontvankelijken bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
[halfzusje slachtoffer] niet-ontvankelijkin haar vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
[broertje slachtoffer] niet-ontvankelijkin zijn vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
[de moeder],
€ 41.231,19te betalen, waarvan € 1.231,19 aan materiële schade en € 40.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;
241 dagengijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- vast te pakken en/of te houden en/of
- hevig door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of
- tegen een oppervlak te slaan en/of stoten en/of
- hard op/tegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of
- anderszins hevig geweld en/of een forse krachtsinwerking op/tegen zijn hoofd en/of lichaam uit te oefenen;
(art 287 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 maart 2023 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, aan zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2023, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,
- vast te pakken en/of te houden en/of
- hevig door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of
- tegen een oppervlak te slaan en/of stoten en/of
- hard op/tegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of
- anderszins hevig geweld en/of een forse krachtsinwerking op/tegen zijn hoofd en/of lichaam uit te oefenen,
terwijl het feit op 31 maart 2023 de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;
(Artikel art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)