Eiseres heeft op 2 januari 2023 een aanvraag ingediend voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Eiseres heeft verweerder op 21 februari 2024 ingebreke gesteld, waarna verweerder de ingebrekestelling op 13 maart 2024 ontving. Omdat verweerder sindsdien nog geen besluit heeft genomen, is het beroep kennelijk gegrond verklaard.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zeven weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is verlengd ten opzichte van de standaard twee weken vanwege het grote aantal aanvragen dat verweerder moet behandelen, in aansluiting op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De reeds vastgestelde bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- wordt bevestigd. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 51,- en proceskosten van € 437,50 aan eiseres.
De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders op 25 juli 2024 en is zonder zitting uitgesproken. Partijen kunnen binnen zes weken verzet aantekenen tegen deze uitspraak.