Eiser ontving vanaf januari 2019 een bijstandsuitkering. Orionis ontdekte via een melding en onderzoek dat eiser vermoedelijk niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dit werd onderbouwd met onder meer extreem laag waterverbruik, geen gas- en elektra-aansluiting en een huisbezoek. Orionis trok de bijstand in en vorderde het te veel ontvangen bedrag terug.
Eiser voerde aan dat hij wel op het adres verbleef, maar op een aangepaste wijze, en dat de brief met het intrekkingsbesluit naar een verkeerd adres was gestuurd. Hij stelde ook dat de termijn voor het primaire besluit onredelijk was en dat hij de terugvordering niet kon betalen.
De rechtbank oordeelde dat het primaire besluit van 13 december 2023 het enige geldige besluit is en dat de termijn voor het nemen van dit besluit niet onredelijk was. Het extreem lage waterverbruik en andere onderzoeksresultaten rechtvaardigen de conclusie dat eiser niet op het adres verbleef. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De schending van de inlichtingenplicht rechtvaardigt intrekking en terugvordering.
De rechtbank vond geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, mede gezien het opzettelijke karakter van de schending en het feit dat Orionis geen aandeel had in de situatie. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.