ECLI:NL:RBZWB:2024:7162
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister heeft op 28 juli 2024 aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten op 18 oktober 2024.
De rechtbank constateert dat de termijn voor het sluiten van het vooronderzoek is overschreden, maar dit leidt niet tot onrechtmatigheid omdat de uitspraak binnen een redelijke termijn volgde en eiser daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn, mede omdat de Tunesische autoriteiten niet reageren op de laissez-passer aanvraag.
De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van reactie niet betekent dat er geen zicht is op uitzetting, zeker omdat eiser weigert mee te werken aan zijn terugkeer. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat het voortduren mede het gevolg is van eisers eigen weigering tot medewerking. Het belang van de overheid om de maatregel voort te zetten weegt zwaarder dan het belang van eiser op vrijheid.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.