De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 december 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de weigering van een omgevingsvergunning voor de huisvesting van arbeidsmigranten in een bestaande woning te Altena. Het college had eerder de vergunning geweigerd en dit besluit gehandhaafd in een herstelbesluit na een tussenuitspraak van de rechtbank waarin een motiveringsgebrek werd vastgesteld.
Het college baseerde de weigering op strijd met de Beleidsregel huisvesting arbeidsmigranten gemeente Altena 2023, die alleen vergunningen toestaat voor grootschalige, kleinschalige of seizoenarbeiderslocaties op eigen erf. De woning in kwestie voldeed hier niet aan. Tevens woog het college mee dat eiseres reeds een vergunning heeft voor huisvesting van 274 arbeidsmigranten op een nabijgelegen locatie.
Eiseres betoogde dat het college een belangenafweging had moeten maken en dat het belang van haar onderneming onvoldoende was meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het college een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt, rekening houdend met de beleidsregel en het belang van eiseres, en dat de weigering redelijk was. Het beroep tegen het herstelbesluit werd ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk werd verklaard.
Vanwege het eerdere motiveringsgebrek werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.