Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking 2023 van de gemeente Tilburg. De heffingsambtenaar had het bezwaar gegrond verklaard en een kostenvergoeding van €672 toegekend. Belanghebbende ging in beroep tegen de hoogte van deze vergoeding en verwees naar een arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, waarin werd bepaald dat de vergoeding per punt hoger moet zijn.
De rechtbank oordeelde dat de vergoeding per punt inderdaad moest worden aangepast naar €647, waardoor de totale kostenvergoeding in bezwaar inclusief het taxatierapport €1.346 bedraagt. Daarnaast werd een vergoeding voor de beroepsfase vastgesteld van €4,86, rekening houdend met een samenhangfactor vanwege gelijke werkzaamheden in meerdere zaken.
Belanghebbendes verzoek om betaling van de vergoeding rechtstreeks aan de gemachtigde werd afgewezen omdat de belastingrechter niet bevoegd is hierover te oordelen. De rechtbank bevestigde dat artikel 30a van de Wet WOZ van toepassing blijft, ondanks bezwaren over mogelijke strijd met het recht, verwijzend naar recente arresten van de Hoge Raad.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar voor zover deze de kostenvergoeding betreft, veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van de verhoogde kostenvergoeding en griffierecht, en bepaalde dat bij niet-tijdige betaling wettelijke rente verschuldigd is.