Eiser ontving sinds november 2020 een bijstandsuitkering en werd in januari 2022 gedetineerd. Baanbrekers, de uitvoeringsorganisatie, vroeg in februari 2022 bankafschriften op, maar ontving deze niet. Vervolgens werd het recht op bijstand opgeschort en later ingetrokken vanwege het niet kunnen vaststellen van het recht. Eiser diende pas in januari 2024 bezwaar in, ruim na de zeswekentermijn.
De rechtbank oordeelt dat eiser wel ontvankelijk is omdat hij vrijstelling van griffierecht kreeg. De kernvraag is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Eiser voerde aan dat zijn detentie en quarantaine in Frankrijk hem verhinderden tijdig bezwaar te maken. De rechtbank stelt echter dat eiser naliet Baanbrekers te informeren over zijn verblijfadres en geen derde inschakelde om zijn belangen te behartigen.
De rechtbank benadrukt dat het op de weg van eiser lag passende maatregelen te treffen om post te ontvangen en bezwaar tijdig in te dienen. Ook het beperkte contact met familie en begeleider en diens beperkte taalvaardigheid wegen niet mee. Daarom is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar en is het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.