Eiser heeft op 29 december 2023 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende schadevergoeding. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Eiser stelde verweerder op 30 december 2024 in gebreke, welke ingebrekestelling op 2 januari 2025 werd ontvangen. Ondanks het feit dat eiser het beroep iets te vroeg indiende, verklaart de rechtbank het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond omdat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.
De rechtbank legt op grond van artikel 8:55d, eerste lid, Awb een termijn van tien weken na verzending van deze uitspraak op voor verweerder om alsnog een besluit te nemen. Deze termijn is langer dan de standaard twee weken vanwege het grote aantal aanvragen dat verweerder moet behandelen en in aansluiting op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 bij overschrijding van deze termijn.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €53 en proceskosten van €453,50 aan eiser. De rechtbank wijst het verzoek van verweerder af om een lagere dwangsom op te leggen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 10 maart 2025.